Het gebruik van goudassist op een icoon
De hele icoon heeft al bijna alle schakelingen van donker naar bijna wit, en details zoals letters. Alleen de mantel van de Christus Emmanuel ligt er wat kaal bij. Een oranje vlak, niet egaal maar gemarmerd, en het wit van de plank schemert er nog doorheen. Klaar om met goudlijnen tot een stralend kleed te worden.
Goud in een icoon draagt betekenis die verder gaat dan het oog. Het staat voor de goddelijke glorie, het ongeschapen licht: niet het licht dat wij waarnemen, maar de werkzame uitstraling van God zelf, die wel te ervaren is maar niet te zien. Die gedachte heeft wortels in de oosters-orthodoxe theologie, waar Gregorius Palamas het onderscheid uitwerkte tussen het wezen van God, ontoegankelijk en verborgen, en zijn energëen, het licht dat naar buiten treedt en mensen raakt. Goud is daarvoor een bijzonder geschikt materiaal: het is kostbaar, maar het treft ons ook anders dan een verftint. Hoe het licht erop valt, hoe het weerkaatst, hoe het lijkt te bewegen zonder te bewegen: er zit iets ongrijpbaars in, iets wat zich niet laat vastleggen. Hetzelfde principe verklaart waarom bijvoorbeeld de halve concentrische cirkels bovenin sommige iconen, die God de Vader duiden, soms zwart zijn geschilderd: niet als teken van duisternis of afwezigheid, maar als verbeelding van het Licht dat ons begrip te boven gaat.
Dit ontoegankelijk Licht kan op verschillende manieren als goud verschijnen in een icoon. Als achtergrond: de afgebeelde heilige of gebeurtenis wordt gezien in het eeuwigdurende licht van God, de Achtste Dag, het hemels Jeruzalem waarvan de Openbaring zegt dat het licht van zon en maan er niet meer nodig zal zijn. Als aureool: een teken dat deze persoon in harmonie heeft geleefd met God, en dat God door hem of haar voor anderen zichtbaar werd. En als assist: goud aangebracht niet als vlak maar als lijnen en vormen op gewaden, boeken en andere details. Het verbeeldt de glorie die van binnenuit straalt. Dat zie je op iconen van de Tronende Christus, de Hemelvaart, de Transfiguratie, de Opstanding: gewaden niet verlicht van buiten maar van binnenuit, in goud gevat waar het licht het hoogst is.
Ook de Christus Emmanuel heeft een mantel met assist. Zonder baard, maar al met de ernst en wijsheid van wie hij is: de Immanuel, God met ons, zoals Jesaja het voorzag. Op de oranje ondergrond komen goudlijnen die de glorie van binnenuit zichtbaar maken. De eeuwige Zoon die al als kind draagt wat hij is: het ongeschapen Licht, zichtbaar in het kleed.
Wat opvalt als je die mantel beschildert: het goud is niet het laatste lichtaccent in een reeks, maar van een andere orde. De hoogste lichtaccenten in de kleding worden nog in verf gezet. Het goud gaat daar bovenuit: niet meer geschilderd licht, maar glorie. En juist daar, waar de hoogste glorie komt, is de ondergrond nog het meest open. De witte plank schemert nog door.
Het voelt tegenstrijdig. De vlakken waar assist komt krijgen minder aandacht dan de rest van de icoon: twee, misschien drie transparante lagen, en dan meteen het goud. Op andere plaatsen is de weg namelijk langer: via donkere grondtonen wordt laag na laag, steeds kleiner van oppervlak, naar het licht toegewerkt. Het hoogste licht kent zo vaak meer dan zeven stappen en de ondergrond is ondertussen dekkend geworden. Bij assist dus niet. Maar als ik niet kijk naar wat het aan tijd en moeite kost, maar naar wat er nu is, komt iets anders aan het licht.
Wit is eigenlijk geen kleur. Of toch wel: als het witte zonlicht door een prisma valt, breekt het in alle kleuren die we kennen. Wat ik doe, wat er ontstaat op de plank, vindt plaats in Gods Licht. Wit is dus zelf al een teken van glorie. Vandaar dat je Christus ook kunt zien in een wit gewaad, al dan niet met goudaccenten.
Wit is ook de iconenplank als je aan een icoon begint. Via donkere grondtonen en kleuren werkt alles terug naar het licht. Het hoogste licht in het gezicht is bijna wit. De buitenrand van het aureool is spierwit: het is de laatste handeling met verf die ik doe bij een icoon, ik sluit hem daarmee af.
De cyclus van het ontstaan van een icoon en de beweging van het geloof komen hier samen: van God gaat alles uit en bij God komt alles weer samen. Al is die witte lijn smal, hij sluit de icoon af zoals een zin wordt afgesloten: alles wat ervoor staat krijgt erdoor zijn betekenis.
Geen tegenstrijdigheid, maar een paradox. Het wit van de plank is daar nog zichtbaar door de dunne lagen heen, over het hele vlak heen. Een transparante kleur op een witte ondergrond is sprankelender dan dezelfde kleur dekkend aangebracht. Het wit leeft mee en neemt iets van de oorsprong mee naar het einde. Hier zijn geen zeven lagen nodig om het hoogste licht te dragen: het doorschemerende licht is fundament genoeg voor het stralende licht. Niets ertussen, meteen het goud.
“God is licht, er is in Hem geen spoor van duisternis.”
1 Johannes 1:5, NBV21

